Priester, zoals Melchisedech

Dit afsluitende artikel wordt het moeilijkste van de drie. Ik heb zelfs even geaarzeld alvorens het te schrijven, omdat ik vreesde de juiste woorden niet te vinden. Het snijdt een facet van het christendom aan, waarmee de moderne mens het moeilijk heeft. Maar niet alleen de moderne mens: ook de eerste christenen die uit een joods intellectueel milieu afkomstig waren, lagen er al mee overhoop. Daarvan getuigt inderdaad het Nieuw Testament: “de kwestie is moeilijk om uit te leggen” (Hebr. 5, 11)! De schrijver van deze woorden heeft blijkbaar ook diep moeten nadenken om zijn gedachten helder geformuleerd te krijgen. Misschien doe ik er daarom wel goed aan, wanneer ik mij door de beschouwingen van deze bijbelse auteur laat leiden.

We hebben gezien hoe iemand als Piet van Brabant - een vrijzinnige, een vrijmetselaar die evenwel gelooft in God - de diepe zin van een persoonlijke God als het ware herontdekt heeft en zo de persoon van Jezus naar waarde weet te schatten. Daarom gelooft hij in Hem. Maar zijn verhouding tot Jezus berust geheel en al op een persoonlijk verworven inzicht. Zij steunt op de kracht van het eigen verstand. Een verstand dat autonoom kan beslissen: te aanvaarden of te verwerpen.

In de ontwikkeling van het denken over Jezus (wat men in de dogmatiek de Christologie noemt) heeft men eveneens vele eeuwen lang geworsteld met het precieze zijnsstatuut dat men aan de persoon van Jezus zou toekennen. Aangezien men hierbij gebruik maakt van filosofische begrippen, zijn de bespiegelingen hieromtrent ten dele maar waard wat het wijsgerige systeem waard is waaruit zij afkomstig zijn. Maar de werkelijkheid die erachter schuilt is waar en eeuwig, want zij wordt door Jezus zelf geopenbaard. Zo spreekt Hij herhaaldelijk over zijn bijzondere verhouding tot Degene die Hijzelf telkens weer “mijn Vader” noemt. Aan de hand van Psalm 110 hebben we getracht te tonen, hoe Jezus zijn intieme relatie tot de Vader opvat als een dynamische relatie. Zo komt het dat zijn leer en zijn woord het denken en het zijn vitaliseert. De schepping is ontsproten aan het levende Woord van God en Jezus belichaamt dat woord: Hij is het Woord, dat leven geeft. Maar elke beweging en dus ook de goddelijke dynamiek moet noodzakelijk een object en een doel hebben. Opdat de schepping zin zou hebben, moet de dynamiek die erin van godswege aanwezig is gekomen, immers werkzaam blijven, ook als Jezus erin niet (meer) zichtbaar en lijfelijk aanwezig is. Evenzo moest die dynamiek er ook al zijn, alvorens Jezus als mensenkind geboren werd. (Dogmatisch drukt men dit uit, door te zeggen dat het goddelijke Woord, de tweede Persoon van de Drievuldigheid, pre-existent is.) Daarom moeten we op zoek naar een principe, dat deze blijvende aanwezigheid van God in de wereld draagt.

In feite moeten we het eerste hoofdstuk van het Johannes-evangelie, waarin de apostel zijn leer uiteenzet over het goddelijke scheppende Woord, dat zichtbaar is geworden in Christus, lezen als een soort commentaar op het eerste hoofdstuk van het boek over de Schepping, dat bekend staat als het boek Genesis. De tekst van Johannes is dus wat de joden een midrasj noemden: een les over de schriftuur. De Evangelist geeft dit ook aan, door zijn uiteenzetting te openen met dezelfde woorden als de aanhef van Genesis: “In den beginne S”. Bijgevolg moeten we de tekst van de Evangelist altijd lezen met die van Genesis ernaast. Nu lezen we al in de tweede regel van dit boek Genesis, dat helemaal bij het begin van de schepping “de geest van God - van Elohim - zweefde over de wateren”. En Elohim sprak.

De dynamische relatie die er bestaat tussen de Vader en de Zoon en die de schepping bezielt, wordt dus gedragen door een principe van dynamiek, dat in het boek Genesis de Geest van God wordt genoemd. Deze Geest is het, die de elementen van de schepping in beweging brengt, wanneer het scheppende woord van God weerklinkt.

Dit laat ons zien, dat Van Brabant voortdurend iets uit het oog verliest: namelijk de Geest, goddelijk principe van dynamiek dat de relatie beschrijft tussen de Zoon en zijn Vader en dat voortdurend werkzaam blijft in zijn schepping. Aangezien het scheppende Woord van God een dynamisch woord is, verwacht God van ons niet alleen dat we zijn leer zouden begrijpen en aanvaarden, maar ook dat we ons zouden inschrijven in zijn project en zodoende deelnemen aan het dynamische proces van de schepping. Dit is wat de kerkvaders hebben genoemd: de (heils)economie, het plan van God met de wereld. Jezus is niet alleen een leraar geweest, die aan de mensen een prachtige zedenles is komen voorhouden. Jezus heeft zich niet louter gericht tot ons verstand, met het woord van de rabbijn. Hij richt zich tot de hele mens. Hij leeft, om bemiddelaar te zijn (Hebr. 7, 25). Behalve prediker, is Hij ook priester, die de mens op de Vader betrekt.

De Brief aan de Hebreën definieert dit priesterschap op een heel bijzondere wijze: de auteur herneemt namelijk letterlijk de woorden waarmee Jezus Psalm 110 heeft uitgelegd met betrekking tot de verhouding tussen de Vader en de Zoon. Zoals we hebben gezien, leerde Jezus immers dat de kracht (de dynamis) van God ervoor zorgt dat de Heer een God van leven en van levenden is (Mt 22, 29 en 32). Welnu, Hebreën 7, 15 knoopt hierbij aan, door te stellen dat de priester die God in de persoon van Jezus tot (hoge)priester heeft aangesteld, priester is geworden “uit kracht (kata dynamin !) van een leven dat nooit ontbonden wordt”. Omdat het leven dat uit God voortkomt - omdat de dynamiek die de Vader bindt aan de Zoon - eeuwig is, daarom is ook het priesterschap van de Heer eeuwig en is zijn offer onuitputtelijk en onafgebroken. In die zin kan de Hebreënbrief de woorden van de psalmist herhalen en ze meteen een nieuwe, onvermoede en veel rijkere betekenis geven: “Gij zijt priester, voor eeuwig, zoals Melchisedech!” (Ps 110, 4; Hebr. 7, 21). De uiteindelijke vervulling van het priesterschap van Melchisedech wordt pas duidelijk in het offer van zichzelf dat Jezus aan het kruis opdraagt als een liturgie aan de Vader. (In die zin wordt het offer van Melchisedech vermeld in de Romeinse kanon van de liturgie). Het priesterschap van Melchisedech had iets tijdeloos, omdat de bijbel nergens van zijn afkomst melding maakt. Het is alsof hij stamt uit een oertijd, ja hij lijkt wel te staan buiten de tijd van de geschiedenis.

Daarmee kon hij een beeld worden voor het eeuwige priesterschap dat door God aan Abraham in het vooruitzicht werd gesteld. Dat besluit heeft de Hebreënbrief getrokken. Zo verstaan we hoe Cyrillus van Alexandrië ertoe kwam te geloven dat in Melchisedech de Heilige Geest werkzaam was, om door hem het priesterschap van Christus aan de mensen te vertonen. Dit goddelijk priesterschap belet dat de wereld er troosteloos en meedogenloos zou uitzien. Jezus is immers niet meer zichtbaar onder ons in de wereld aanwezig. De bemiddelaar heeft ons verlaten. Verweesd zijn we achtergebleven en zoals de leerlingen staren we naar de hemel, naar de wolk waarin Hij verdwenen is. Maar laat men het hierbij en hoort men de stem niet van de engel die zegt: “wat staat gij naar de hemel te staren?” (Hand. 1, 11), dan komt men terecht in een onherbergzame wereld. De weg die Van Brabant ons schetst heeft daarom iets harteloos. In zo¹n akelige wereld is Jezus dan gekomen, om een leer voor te houden, een boek dat voor onze ogen ligt opengeslagen. Men kan het lezen. Men kan het ook niet lezen. Men kan het beamen. Men kan het wegwerpen. Ieder mens moet voor zichzelve de keuze maken en laat zich daarbij leiden door de kracht van zijn verstand. Maar een dergelijke mens - typisch voor de huidige tijd - is eenzaam: hij is door God aan zijn lot overgelaten en wordt door zijn medemensen belaagd. Naast hem is er een God, die vanop een afstand staat toe te kijken.

Dat is echter niet het dynamische godsbeeld dat Jezus voorstaat. Volgens Jezus veronderstelt het geloof niet enkel een verstandelijke keuze, maar deze keuze impliceert meteen ook liefde: liefde tot God en onder de mensen (Mt 22: 37-38). Wanneer Van Brabant schrijft: “het moet duidelijk zijn dat ieder van ons het recht heeft zijn eigen beleving te hebben”, is een dergelijk individualisme dan niet in strijd met dit liefdegebod waarnaar ook Van Brabant in zijn artikel verwijst (blz.24), d.w.z. met de goddelijke dynamiek, die juist een onderlinge betrokkenheid veronderstelt? “Ieder zijn gedacht” is niet de stelling die Jezus is komen verkondigen. Zijn priesterschap bezegelt integendeel de liefde onder de mensen en heiligt ze: “de Heer zal aan uw rechterhand blijven staan” (Ps 110, 5, Hebr. 10, 12). God verlaat zijn mensen niet; Hij blijft zijn heilig volk nabij.

Daarom plaatst het einde van Psalm 110 het eeuwig priesterschap van Melchisedech in een eschatologisch perspectief. Waar anders zou de dynamiek op gericht moeten zijn, een dynamiek die uitgaat van God en waarmee de Heer ons tot zich wil trekken? Zij impliceert een belijdenis van hoop en, zoals de Griekse grondtekst van de Hebreënbrief (10, 24) het zo heerlijkt uitdrukt: een “paroxisme” van liefde, waartoe wij elkaar moeten bekeren “terwijl de Dag naderbijkomt”. In dit “paroxisme” zijn heden en toekomst samengebald tot één moment van vervulling. De theoloog Stauffer, naar wie we al verwezen hebben, heeft dit zo uitgedrukt: “niet de toekomst staat centraal in de verkondiging van Jezus, maar wel het heden. De boodschap van Jezus betreft in de allereerste plaats het tegenwoordige, het is een boodschap van de Dag (“Kairosbotschaft”): het Rijk Gods is midden onder u.” Door zijn priesterschap, door zijn bemiddeling brengt Jezus de mensen tot God; Hij staat daarmee borg voor een nieuw verbond (Hebr. 7, 22). Maar wat heeft men aan zo¹n testament, als er geen erflaters zouden zijn en geen verbondenen (Hebr. 9: 16)? Alleen een uitzicht op vervulling geeft het dynamisme dat God in de schepping op gang heeft gebracht zijn uiteindelijke bestemming. Daarom eindigt de psalmist met een grandioos apocalyptisch beeld: na een ultieme strijd laven de strijders voor het geloof zich aan de bron van Harod (Ps. 110,7, cf. Recht. 7, 1; het is de bron van de «beving», symbool van de ultieme strijd, zoals die in Apoc. 19 beschreven wordt), terwijl de Messias als eerste het hoofd verheft. Hij is immers de eerste van de ontslapenen, samen met wie alle zaligen verrijzen: “zo zullen allen in Christus levend worden gemaakt” (1Kor. 15, 20 en 22). Zowel de Psalm als de uitleg die Jezus eraan geeft (Mt. 22, 44) stellen bijgevolg de eschatologische gemeenschap (de gemeenschap van de heiligen) in het vooruitzicht.

In al zijn luister heeft een dergelijk toekomstbeeld niet alleen voor ons, maar ook voor de schriftgeleerden die Jezus hadden ondervraagd, iets beklemmends. Daarom noteert Mattheus: “vanaf die dag durfde niemand Hem nog vragen te stellen”. Maar nog laat Jezus niet af, integendeel. Hij vervolgt met een bittere aanval op de farizeïsche, wettische levenshouding en besluit: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie naar u zijn gezonden, hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, en gij hebt het niet gewild (Mt. 23:37).” Zou dit verwijt niet bestemd zijn voor al degenen die de gemeenschap van de Heer verwerpen en die betrouwen op hun kennis van de wet en op hun volleerd verstand?

Het priesterschap van de Heer bedient een Rijk van God dat “midden onder ons is” en kan daarom niet zonder de gemeenschap van de heiligen maar evenmin zonder een gemeenschap van gelovigen. Welnu, de gemeenschap van de gelovigen is wat men de kerk noemt. Bijgevolg kan het dienstwerk van Christus niet zonder een kerk.

Aan deze conclusie is er geen ontkomen: de boodschap die Jezus heeft gebracht heeft geen enkele zin als er geen mensen zijn om haar te beamen. Nochtans is het precies dàt waarmee Van Brabant en zóvele anderen samen met hem, het tegenwoordig zo moeilijk hebben: het instituut van de Kerk. Dergelijke bezwaren zijn er echter altijd geweest. De bijbelteksten die we hebben aangehaald antwoorden er reeds op. Het mag dan wel zo zijn dat deze gemeenschap faalt en zondigt. Waarom anders zou zij een God behoeven, die is gekomen om haar te redden? Nochtans moeten we meteen ook de volheid van de uitspraak van de Heer onder ogen durven zien: “Jeruzalem” kan de profeten stenigen, maar haar Heer, priester als Melchisedech, blijft het vlekkeloze offerlam, onschuldig aan de zonden van zijn knechten, onschuldig aan het bloed der martelaren, wier eersteling Hij is.

Is er naar God nog een weg terug? Dat was de vraag die we bij de aanvang gesteld hebben. Zij betreft de ontelbaren in deze moderne tijd, die God de rug hebben toegekeerd en die zich hals over kop storten in de wereld, zonder te denken aan de dood en aan alles wat het genietend leven verstoort. Van Brabant lijkt die weg wel te tonen. Maar hij blijft halverwege steken. Geloof is immers geen louter inzicht, maar ook betrokkenheid op God. De vraag hoe het goddelijke woord dan wel bemiddeld wordt, blijft in het artikel van Van Brabant open. De eerste Brief aan de Korintiërs geeft het paradoxale antwoord - paradoxaal, omdat het precies belijdt wat Van Brabant van bij de aanvang verworpen had: “Christus is al uit de doden opgewekt, als eersteling van de ontslapenen; (S) zo zullen in Christus allen levend worden gemaakt.”

De weg naar God is de gemeenschap in Christus de Heer. En zo besluit Paulus, andermaal onder verwijzing naar een beeld van de Psalm: “Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd” (Ps. 110, 1; 1Kor. 15, 25). Zoals een hen haar kuikens koestert onder haar vleugels, de vleugels van het Kruis.